klapvandemolen-1
04 MRT 2019

#70 Heb jij al een klap van de molen gehad?

Cultuur en stad

Na de Zaanse methode focussen we ons tijdens deze avond op de Zaanse identiteit.  Een mogelijk tipje van de sluier over die identiteit wordt opgelicht in de gesproken column van Jacob Spaander. Hij vertelt hoe hij als zeventienjarige punker rondliep op de Zaanse Schans met een button met de tekst “I am not a tourist, I live here”. Zijn manier van toen om de stad te claimen.

Verzenderkens-dag Het is goed om de blik van een kenner te weten. Hoe kijkt iemand van buitenaf naar de Zaan? Wij vonden in Gerard Rooijakkers een geschikt persoon om ons te vertellen wie wij eigenlijk zijn. Gerard Rooijakkers heeft een aantal titels op zijn naam heeft staan; deze avond is het vooral de etnoloog in hem die spreekt. Els Bakker deed haar best daar een definitie van te geven maar Gerard vat die ‘boeventaal’ kort en bondig samen: “Ik onderzoek de cultuur van het dagelijks leven, in heden en verleden”.

Als relatieve buitenstaander, zoals hij zichzelf omschrijft, gaat hij ons juist niet vertellen wie wij zijn.  Want het is tenslotte 1 april. Hij wil ons om een boodschap sturen. 1 april staat  in Vlaanderen bekend als “verzenderkens-dag”. De kunst om iemand iets te laten halen wat niet bestaat, een doos vonkjes, spandraad voor om het hoekje. Je moet hem of haar vervolgens minstens een halve dag in die waan kunnen laten.

Stedelijke brandpunten
Gerard licht eerst wat trends toe in het cultuurlandschap. Zo worden “stedelijke brandpunten” (centrum/hart) steeds belangrijker in de dagelijkse cultuur, en willen deze brandpunten zich (anders dan zo’n  30-40 jaar geleden) steeds meer van elkaar onderscheiden. Iedereen wil een specifiek eigen verhaal.

Daarnaast wordt de manier waarop cultuur wordt geconsumeerd meer hybride. Zeg maar; eerst een balletvoorstelling, dan een etentje in een hippe tent om je daarna onder te dompelen in de punkcultuur. Een manier om die stedelijke brandpunten te beleven. En dan is er natuurlijk nog de festivalisering, zonder eigen festival tel je tegenwoordig niet meer mee.

Het landelijk cultuurbeleid bepaalt nog steeds de basis infrastructuur (BIS) van cultuur, maar dat is niet langer toereikend. Dat gaat over instellingen, dat was waar behoefte aan was zo’n 30 à 40 jaar geleden toen elke zichzelf respecterende stad ook een schouwburg wilde. Maar deze BIS vraagt niet om een toegift, we moeten juist naar een meer regionale infrastructuur. Dus moeten we spreken van regionale culturele ecosystemen.

Culturele ecosystemen
De Raad voor Cultuur heeft een advies geschreven met als titel Cultuur voor stad, land en regio: de rol van stedelijke regio’s in het cultuurbestel. Op de achterkant van een bierviltje zijn de stedelijke cultuurregio’s uitgetekend. Wat daar meteen in opvalt is dat wij tot de stedelijke regio behoren waar Amsterdam als stralend middelpunt te vinden is. Deze reikt tot Alkmaar, maar de kop van Noord-Holland kent geen stedelijke regio. Alsof er geen enkel provinciaal besef is. Er zijn nog meer van dat soort blinde vlekken op de kaart te vinden, maar er is goed nieuws. De kaart is nog niet af. Hier moet nog beleid op worden gemaakt.

Dragende gemeenschappen
Dat beleid moet zich richten op dragende gemeenschappen. Want de wildgroei aan citymarketing en regioprofilering (iedereen wil een specifiek verhaal) gaat meestal over imago, maar als dat te ver af staat van beleefwereld van de bewoners dan ontstaat er een grote kloof, dan wordt dat beeld niet gedragen. Landelijk (en gemeentelijk) beleid staat wel bekend als de zogenaamde systeemwereld, die soms lijnrecht tegenover de beleefwereld van bewoners staat, en daardoor vaak niet geschikt om in de behoefte van de inwoners te voorzien.

Dragende gemeenschappen – of (cultural) commons – bestaan uit groepen die zich inzetten voor een gemeenschappelijk of publiek belang. Ze werken op een niet-hiërarchische manier. De zogenaamde bottum-up beweging. Ze handelen in vrij toegankelijke goederen zoals schone lucht, schoon water, schone grond en de openbare ruimte. Het is belangrijk om bij deze goederen stil te staan. En dat is interessant want niemand kan deze goederen werkelijk bezitten. Cultuur is ook zo’n goed. Niemand kan cultuur claimen.

Dat is ook de reden waarom deze dragende gemeenschappen zo moeilijk voet aan de grond krijgen. Want de systeemwereld van beleid en regels zijn niet bekend met deze gemeenschappen. Daar is het eigenaarschap of het eigendomsrecht het grootste goed.

Wie kan de Zaan bezitten?
En dat brengt ons bij de vraag: van wie zijn die gemeenschappelijke goederen eigenlijk? Van wie is de openbare ruimte? Van wie is de stad?

Hier in de Zaanstreek vind je een waanzinnige vermenging van wonen en werken maar de mensen zijn met de rug naar de Zaan gaan staan. De grootste onbetreden openbare ruimte hier is die Zaan, een vrij toegankelijk goed, maar aan de oevers geldt op veel plekken het eigendomsrecht. Maar wie kan de Zaan bezitten?

Als niemand iets kan bezitten is dat van iedereen. En die dragende gemeenschappen zouden daar dan het eigenaarschap over moeten krijgen.  Maar dat schuurt vaak met het eigendomsrecht van andere partijen.

De fik erin
Deze dragende gemeenschappen hebben hun eigen rituelen. Gerard Rooijakkers heeft in 1997 in het kader van onderzoek naar Dutch rituals hier rondgelopen tijdens Luilak. Hij dompelde zich onder in het ruige randje wat dit soort gemeenschapsfeesten vaak hebben. In Wormerveer ging er verbazingwekkend veel de fik in. Maar de politie had ook oog voor de speelruimte van dit feest en ging daar goed mee om. In verfmolen de Kat kon je binnen in de behaaglijkheid van de oude historie warme bollen eten. In beide gevallen eigent een dragende gemeenschap zich een feest, een ritueel toe.

Zaanse rituelen
Rituelen zijn onderdeel van de identiteit van dragende gemeenschappen, en daarom vaak een fundament voor cultuur. Maar die identiteit is geen vaststaand gegeven. Dat is in beweging.

Gerard Rooijakkers vindt als buitenstaander dat wij hier slordig omgaan met de kwaliteit van de openbare ruimte. Er ontbreekt hier de zorg voor, maar dit zijn ook die vrij toegankelijke goederen. Als wij er geen zorg voor dragen worden ze misschien wel in bezit genomen door bedrijven.

Misschien zijn wij ons er ook helemaal niet bewust van dat we hier veel hebben. Er zijn diverse iconen, de Zaan is hout, de vijftig tinten groen. Wat dat betreft zijn wij een heel rijk gebied. Maar je moet er wel zorg voor dragen.

Dus misschien moeten wij nieuwe Zaanse rituelen bedenken in die openbare ruimte, in dat vrij toegankelijke goed waar wij hiermee zijn gezegend. De stad is van ons. Niet om te bezitten maar om er voor te zorgen. En daar gaan wij het de volgende keer over hebben bij Cultuur en Stad.

Meer informatie over de spreker Gerard Rooijakkers:

(Voor meer informatie over Gerard; https://www.uitgeverijveerhuis.nl/GerardRooijakkers

Of leuk flimpje op youtube over rituele depots https://www.youtube.com/watch?v=tgvl0r3gats)

Lees hier de tekst van de column van Jacob.IK BEN GEEN TOERIST IK LEEF HIER

dscn0224-768x576
dscn0202-768x576